Vragenlijst
Beantwoord de vragenlijst door positie te kiezen tussen twee stellingen.
Kies vanuit je hart: zo vind ik dat het zou moeten zijn.
Let wel, het gaat hier om jouw opvattingen over onderwijs in het algemeen, niet over één bepaalde laag of leeftijdsgroep.
Vraag 1
A:
Alleen objectieve, uniforme toetsing waarborgt goed onderwijs. A
B
B:
Iedereen moet andere dingen kunnen leren. Kwaliteitseisen mogen subjectief zijn. Vraag 2
A:
Een zo hoog mogelijk diploma is de beste voorbereiding op de toekomst. A
B
B:
Een zo breed mogelijke ontplooiing is de beste voorbereiding op de toekomst. Vraag 3
A:
Het is belangrijk dat leerlingen op het juiste niveau worden geplaatst. A
B
B:
Leerlingen ontwikkelen zich op hun eigen tempo en niveau en de school moet daarop inspelen. Vraag 4
A:
De school moet zich vooral richten op de zaken die belangrijk zijn voor het halen van een diploma. A
B
B:
Het is een belangrijke taak van de school om leerlingen te helpen ontdekken wie en wat ze kunnen en willen zijn. Vraag 5
A:
Het begint bij kennis: betekenisgeving is pas mogelijk als er eerst een goede basis van kennis is. A
B
B:
De lessen zouden zoveel mogelijk gericht moeten zijn op betekenis en zin kunnen geven aan wat je leert. Vraag 6
A:
Allemaal hetzelfde moeten doen leert leerlingen deel te zijn van de groep en de samenleving. A
B
B:
Dat elke leerling zich op eigen manier en tempo kan ontwikkelen is geen belemmering voor de sociale ontwikkeling. Vraag 7
A:
Het brein van jongeren is nog niet geschikt voor het nemen van verantwoordelijkheid. Zij hebben daarom vooral veel structuur en controle nodig. A
B
B:
Zelfsturing kun je al jong leren en het is belangrijk om daar zo vroeg mogelijk mee te beginnen. Jongeren moeten daarom vooral veel ruimte krijgen. Vraag 8
A:
Als leerlingen niet genoeg willen leren moet de school hen daartoe dwingen. A
B
B:
Leerprocessen kunnen alleen worden ondersteund, niet afgedwongen. Vraag 9
A:
Het is logisch dat leerlingen alleen leren voor een hoog cijfer of diploma. A
B
B:
Leerlingen moeten begeleid worden bij het zoeken naar hun eigen weg en intrinsieke motivatie. Vraag 10
A:
Onderwijs kan alleen functioneren als de leraar duidelijk de leiding neemt over de leerlingen. A
B
B:
Samen werkt het best: de leraar ontleent zijn gezag/invloed niet aan zijn formele positie. Vraag 11
A:
Communicatie tussen ouders en school moet vooral gaan over de leerresultaten en cijfers. A
B
B:
In gesprekken tussen school, ouders en leerlingen moet het vooral gaan over de hele ontwikkeling van de leerling. Vraag 12
A:
De leraar is in de eerste plaats verantwoordelijk voor het overdragen van vakkennis. A
B
B:
De leraar is vooral een pedagoog die zijn persoonlijkheid en kennis gebruikt om leerlingen tot bloei te laten komen.